Colombia in de sixties (1): El Jefe

1963. Net aangekomen in het oerwoud van Colombia. Geland per Super Constellation bij een stadje aan een grote rivier. Eerste kennismaking met de vochtige hitte die de wereld rond langs de evenaar heerst. Er wacht iemand op me. Don Germán. We rijden in een Landrover door zandstraten, ik zie met pistool gewapende vaqueros, lasso aan het zadel. Het eerste waar ik aan denk is een film die ik net thuis heb gezien, ‘Le Salaire de la Peur’ met Yves Montand.Voor sigaretten even gestopt bij een Libanese winkel. In een hoek staat een krachtige amateur zender-ontvanger waarmee de uitbater dagelijks in contact staat met Beiroet. Dan verder. Hoertjes staan te kletsen voor het Hotel Pipatón aan de kade, met het rode dak, ik ontdek dan pas de rivier, die op het niveau van de kade onstuimig voorbij snelt. Het is het natte seizoen. De meeste stenen trappen over een lengte van een honderd meter langs de rivier, liggen nu diep onder water. Hier is buiten het natte seizoen altijd grote bedrijvigheid. Groene bananen, op weg naar het  rijke  Noordelijk halfrond, worden per schouder naar beneden gedragen. Langs de trappen ligt een vloot van ‘aluminios’ met de neus omhoog te wachten op klanten, dat zijn eenvoudige speedbootjes met enorme buitenboordmotoren. We gaan met een pont van twee verdiepingen  naar de overkant van de brede, snel stromende rivier. Overal loeren gevaarlijke zandbanken. Het schip moet een lange paraboolachtige koers varen, eerst ver stroomopwaarts, daar oversteken, dan met de stroom mee, luidruchtig remmend met de schroeven, om uiteindelijk uit te komen bij de landingsplaats. Jonge soldaten hangen er verveeld rond,  met de vinger aan de trekker. Een knal, gelach, applaus, een van deze minderjarigen heeft een piepklein vogeltje uit een boom geschoten. Zo blijft hij scherp. Dan een lange rit in een Landrover door het oerwoud, een militaire wachtpost bij een slagboom, een woonkamp, een wachtend woonhuisje met ramen zonder glas maar met horrengaas. Alleen in de slaapkamerramen zit glas, daar brult in de muur oorverdovend een airconditioner. De volgende dag terug naar de plaats aan de oever, weer de kolkende rivier over, om me te vervoegen bij de DAS, het Departamento Administrativo de Seguridad. Ik kom in het kantoor van de chef. Uren zit ik te wachten in een zeer rommelig bloedheet kamertje met een bureau schuin in de hoek, draaistoel erachter. Op het bureau staat een bordje naar me toe gericht, een groezelig stuk papier geplakt op karton, waarop in grote letters het woord JEFE. Elke letter is een centimeter of vier hoog en is gemaakt door het kunstig typen van een zeer groot aantal hoofdletters X op de schrijfmachine. Dat heeft aan iemand zeker een hele ochtend gekost. Wie weet aan de Jefe zelf. Tegen het eind van de middag komt een ongeschoren man binnen en gaat achter het bureau zitten. Ongunstig ogend type, naar de maatstaven van thuis. Na het beantwoorden van vele vragen, het invullen en tekenen van stapels formulieren en het verstrekken van tien vingerafdrukken, krijg ik van hem een bergje schuurpoeder in mijn handpalm. Met dat poeder mag ik proberen op de gang de zwarte inkt van mijn vingers te verwijderen onder een miezerig waterstraaltje in een piepklein fonteintje. Ik ben nog net voor de avond terug in het kamp aan de andere kant van de rivier.

Introducing Stuart Dodds

Stuart Dodds was born and educated in London, England. He served two years of National Service in the Royal Air Force and emigrated to the United States in 1958.  He has worked in advertising and publishing in New York and San Francisco, most recently as editorial director of Chronicle Features, the syndication division of the San Francisco Chronicle. 

He reports: “My first sustained efforts at writing poetry, in the late fifties in New York, were inspired by a New School poetry workshop given by Kenneth Koch who with John Ashbury and Frank O’Hara formed the nucleus of the Tenth Street Poets —an offshoot of the Tenth Street Painters, who became known as the New York School of Abstract Expressionists. It was an exciting place to be writing poetry.”

In 1962, Stuart won the New School’s prestigious Dylan Thomas Poetry Award for that year.  His poems have been published in various journals throughout the U.S, including Blue Unicorn, Beloit Poetry Journal, Freefall, Pacific Coast Journal, Epoch, Carquinez Poetry Review and The Gathering.

Reflecting on his life and marriage, he speaks of retiring from newspaper work, in 1998, and returning to poetry “with renewed energy and a sense of vocation.  I am honored that the story curator has agreed to publish my poems. Should I be fortunate enough to have a book of poems published, I will dedicate it to the editors of Blue Unicorn (for being among the earliest supporters of my work), to Jan Doets who has invited me to join him in cyber space and to the loving memory of a fine poet and superb editor, my wife of 30 years, Natasha Borovsky who died on May 31st, 2012.”

Stuart Dodds continues to write poetry “in the late afternoon,” and is an active member of the Ina Coolbrith Poetry Circle.  He lives in Berkeley, California and is an occasional contributor to the Berkeley Daily Planet.

 

Een goede morgen begint met Morning Hair

Wanneer ik wakker word kijk ik deze dame in haar ogen en vraag mij af wat ze de afgelopen nacht heeft meegemaakt. Deze Japanse prent heet “Morning Hair’ en werd gemaakt door Torii Kotondo (1900-1976). Nadat de artiest de eerste vijftig afdrukken had gemaakt vond de toenmalige Japanse ‘thought police’ de prent zo suggestief dat ze hem dwongen het afdrukken te stoppen.Voor de goede orde trokken de gedachtesmerissen een kaarsrechte diepe kerf over de volle hoogte van het houtblok. Japans perfectionisme. Ik ken iemand die behalve de allereerste van die vijftig prints ook dat arme houtblok heeft, compleet met een afdruk met kerf.

Goedemorgen, lezers.

U bent hier bij De Verhalen Curator, mijn allereerste web site. Ik begon die in 2012. Ik publiceerde daarop 83 artikelen  in de jaren 2012 en 2013. Toen vertrok ik in gedachten naar Frankrijk en begon daar in augustus 2013 met een collectieve literaire web site, met ongeveer twintig Franse schrijvers.  Die site werd een groot succes, met uiteindelijk honderden lezers in meer dan twintig landen. Na 1200 artikelen heb ik de dirigeerstok van die site in juni 2019 overgedragen aan de Franse schrijver Yan Kouton. Hij zet de site voort met hetzelfde élan. Die web site  heet Les cosaques des frontières, un refuge pour les dépaysés, zie  https://lescosaquesdesfrontieres.com/.

Nu  ben ik in
gedachten weer terug in Nederland.

Binnenkort gaan we de 75e verjaardag van de
bevrijding vieren. Naar  aanleiding
daarvan, heb ik samen met een vriendin een website gemaakt over de vervolging
van de Nederlandse joden tijdens de tweede wereldoorlog en de anti-joodse propaganda
die werd gevoerd in de twintig jaar daaraan voorafgaand. Deze site is bedoeld
voor  iedereen, maar speciaal voor de
jongeren in Nederland.

De site : https://www.erzitgevaarindelucht.com/ is nu twee weken in de lucht en begint al de aandacht te trekken.

Ik zal doorgaan met het plaatsen van artikelen op deze
site. Want ik ben weer thuis. Samen met Morning Hair probeer ik
het u makkelijk te maken.

Als u me op Twitter (@deverhalencurator) of via Facebook  (https://www.facebook.com/erzitgevaarindelucht.nl/ ) gaat volgen, ziet u de nieuwe  artikelen vanzelf komen.

Het zou fijn zijn als u op deze hele site gaat rond kijken
want daar staat al veel lezenswaardigs op. Onder dit artikel kunt u een aantal belangrijke
verhalen ontspannen afrollen,  in
chronologische volgorde. Alle blogs zijn ook opgeborgen per thema, in de mappen
rechtsboven. U kunt ze ook vinden in het afrolvenster rechts, door met het rode
lijntje te schuiven en dan op de titel te clicken die u nieuwsgierig maakt.

Tot spoedig ziens.

Jan Doets

Colombia in the sixties (2): Jungle golf

Colombia. Regenwoud, 1963. Mijn Firma heeft hier in de tweede wereldoorlog een nederzetting gebouwd met huizen, kantoren en werkplaatsen. Een hospitaal waar alle ingrepen kunnen gebeuren. Een school.Tweeduizend huisjes voor de arbeiders, samen de Colonia genaamd. Huizen voor de honderd employés. De rivier zet in het natte seizoen vaak alles blank. De huizen zijn daarom langs lusvormige straatjes op dijken gebouwd, metershoog boven het terrein. In de diepte ziet men struikgewas waartussen ongedierte, slangen en leguanen huizen. Er is een bioscoop bij de Colonia. Aparte clubs voor  Colonia en stafemployés. De employés hebben een zwembad en een  golfcourse. Negen holes langs de rand van de jungle, met eigen clubhuis. Een grote supermarkt van de Firma, het Commisariato. In het woud staat de eigen electriciteitscentrale, die met het kamp verbonden is door hoogspanningsleidingen door een lange smalle clearing. Even buiten het kamp een kazerne voor het bataljon soldaten, dat het kamp en de installaties bewaakt. De wegen zijn met bulldozers uit de rode aarde gekrabd en worden regelmatig besproeid met dun asfalt. Dat geeft samen met het oppervlak van de  grond een harde weg, die spekglad wordt als er een paar druppels regen op vallen. Dan moet je al rijdend de Landrover op four-wheel drive zetten. Een ferme klap op een gele knop houdt je op de rechte koers. Bij de landingsplaats van de pont en bij de ingang van het kamp veel soldaten in Amerikaanse fatigues en vechtpetten.

Buiten het werk is hier niets anders te doen dan golfen. Ik koop van iemand een tweedehands golfset en krijg les. Geen wind. We zitten midden  tussen de Caraïbische kust en de bergen waar de hoofdstad ligt. Die tussenruimte van 1500 kilometer is opgevuld met oerwoud. Als op een green iemand een sigaret op steekt, blijft de rook bewegingloos zweven. Totdat je er doorheen loopt. Op een dag horen we al lopende over een fairway de palmbomen ruisen. Un temblor, een lichte aardbeving die we al lopend niet kunnen voelen maar wel kunnen horen. Aardbevingen komen hier vrijwel dagelijks voor zoals overal langs de Andes. Uit een van de huizen schalt ‘Hello Dolly’, van Louis Armstrong. Vreemde gewaarwording, in die jungle.

Op een dag kan ik nauwelijks liggen, zitten, staan of lopen. Naar het hospitaal.  Ik mag meteen bij de arts naar binnen. Hij probeert op het vloerkleed met een afwijkend uitziende putter een golfbal in een liggend blikje te tikken. ‘Three-yard putts are the meanest’, zegt hij. Hij is blijkbaar niet onder de indruk van mijn Spaans. ‘Sit down, have an ant’. Op zijn tafel staat een groot blik met geroosterde mieren, in chocola gedoopte hormigas culonas. ‘A proven aphrodisiac’, zegt hij al puttend. Ze knisperen tussen mijn tanden en blijken heel lekker te zijn. Ik ben niet verbaasd om de geneesheer met een putter bezig te zien. Alle kampdoktoren golfen fanatiek. De meeste mensen hier zijn gezond. De artsen zijn hier voor de zekerheid, por si acaso,  omdat we hier volkomen geisoleerd van de buitenwereld zitten. Ze hebben een kort lucratief contract en kunnen hier mooi hun handicap verlagen. De dokter  ziet me strompelen en luistert naar mijn verhaal.‘Het is hier altijd 30 graden en 100% vochtig en op kantoor loop je airconditioned ruimtes in en uit. Er helpt maar een ding en dat is flink Vitamine B slikken, elke dag een paar, zoals ik doe met de mieren.’ Hij zet een mega-pot pillen voor me neer. ‘Put on some weight too, Negativo, that will help’.

Ik meet 65 kilo bij 1m87. De mensen hier geven elke gringo op de dag van aankomst een bijnaam. De mijne is ‘El Negativo’. Niet vanwege een negatieve uitstraling maar omdat ik er volgens hen uitzie als een fotonegatief.

 

Colombia in de sixties (3): Cafecito Puccini

In de loop der jaren heb ik vaak in helicopters gevlogen. Allerlei. Eerst in de kleine Bell 47 die er uitzag als een libelle. Later in vele maten Sikorskis en Pumas, honderden kilometers buitengaats boven zee. De enorme en enge Chinook, een enorme banaan met twee motoren, een aan ieder uiteinde. Toch denk ik vooral terug aan mijn eerste ervaringen in die kleine Bell, Colombia 1964. Een lange staking. Het sindicato voert sabotage acties uit in het oerwoud. Ze trachten kortsluiting te veroorzaken aan de hoogspanningsleidingen. Dan weer hier dan weer daar. De deurtjes van de Bell hebben we thuis gelaten. Ik hang in de riemen over de rand, om loodrecht naar beneden te kunnen kijken. De bedoeling is om met een walkie-talkie het gebeuren aan een legerpatrouille door te geven. Vreemd gevoel, om als een buizerd in de lucht te hangen. Zoals die andere keer,  toen ik vanuit het op een hoogvlakte gelegen Bucaramanga in zo’n Bell over een bergkam heen schoof en plotseling een gapende leegte van een meter of 1500 onder me zag. Je zit in die glazen bol, je kijkt naar boomtoppen en rotsen en dan zie je plotseling niets rond je knieën dan een duizelingwekkende diepte. Je pakt je ergens aan vast met een vreemd gevoel in je buik, je houdt de adem in en durft even niet te kijken. Dat is zo over, want alles went, zelfs hangen.

Geen enkele herinnering aan helicoptervluchten kan echter tippen aan die naar Toscanini in het oerwoud. Op een dag vlieg ik met de Bell 47 naar de installaties dertig kilometer benedenstrooms langs de Magdalena.  Daar is een klein kamp, een buitenpost. De piloot en ik passen precies in de kleine glazen zeepbel, de deurtjes zitten dicht, vastgemaakt met een leren riempje, zoals bij een fietstas. We volgen een rechte lijn buiten de bochtige rivier. Terwijl we laag over moerassen scheren  kijkt Toni uit naar eenden. Hij is onze Italiaans-Amerikaanse piloot, donkerblauw Polo shirt, stompje sigaar in de hoek van de mond, rode baseball pet, Rayban zonnebril. Coole goser. Hij vertelt me via de intercom dat hij soms, als hij even tijd en zin heeft, achter een vlucht eenden aanvliegt totdat er een paar door uitputting neervallen op een stuk droog land. Daar landt hij om ze op te rapen en de nek om te draaien. ‘Aardige kerel,’ denk ik, ‘komt vast uit Sicilië’. Even later bezorgt hij me een grote verrassing. We vliegen nu boven het regenwoud, dat eindeloze boerenkoolveld. Hij wijst op een dun rookpluimpje in de verte. ‘Even naar Puccini luisteren’, zegt hij.We landen verticaal in een vrij kleine clearing. Naast een houten huisje met waranda zet hij de motor af en laat de rotor tot stilstand komen. Een wat ouder echtpaar komt ons lachend tegemoet en biedt ons een cafecito aan. Wat doen die mensen hier, diep in het bos? Waar leven ze van ? Ik kom er niet helemaal achter want mijn Spaans is nog in opkomst. Ik begrijp wel dat ze een hele grote moestuin hebben en dat ze via een klein stroompje met hun speedboot op de grote rivier kunnen komen.

Dan zie ik in een hoek een enorme kast staan. Donker gepolitoerd hout. De man doet twee  grote voordeuren wijd open en we kijken in de  opengesperde muil van een enorme toeter, zoals te zien is op  oude plaatjes van His Master’s Voice. Victrola. Geen wit hondje. Dan zet hij de bovenklep omhoog en draait aan een grote slinger die uit de houten zijwand steekt. Hij legt een groot model grammofoon plaat op de draaitafel. Hij stopt een verse bamboenaald in de enorme kop van de pickuparm en laat de plaat draaien. Hij zet de naald in de groef. Puccini! Toscanini! Viva Italia, Toni kijkt tevreden. Wat een enorm geluid uit een akoestisch apparaat ! Veel mooier dan ik dacht. We blijven een half uur draaien en luisteren en praten. Dan moeten we verder.Toni zegt niet veel. Alleen: ‘Good cafecito, let’s get a move on.’

 

Colombia in de sixties (4): Cultuurschok

1964. We rijden op een morgen met een Landrover het Colombiaanse junglekamp uit, op weg naar de rivier, de pont en het vliegtuig. In de verte doemt een obstakel op. CUIDADO, HOMBRES TRABAJANDO – staat in grote letters op het bord. ‘Let op, mannen aan het werk’. Voorzichtig manoevreert de chauffeur de Landrover om een kolossale kuil heen. De mannen zijn druk bezig met het repareren van een gat in een waterleiding. Na een jaar mogen we van de Firma een week op local leave , dat wil zeggen dat we een week het kamp uit mogen, maar niet te ver weg. Geen frisse neus in Europa. Dat is te duur en duurt te lang. We gaan per vliegtuig naar een van de dichtbije Nederlandse benedenwindse eilanden.

Een bizarre ervaring. Want de Nederlanders daar gedragen zich heel anders dan die in ons junglekamp. Zo moet het vroeger geweest zijn in ons Indië. Zowel bij het personeel van de Firma als van de Koninklijke Marine ligt grote nadruk op verschil in rang en stand. Men zegt « U » tegen elkaar, niet « jij » zoals in ons kamp. We maken dat al mee in de Club, op de eerste de beste avond. Max Tailleur treedt op in de grote personeelsclub. Een anachronisme. Het lijkt hier plotseling Nederland uit de dertiger jaren, mannen in pak en das en dames in japonnen. Men zit in volgorde van rang. De voorste rij is geheel leeg. Afzeggers? Een tijdje gebeurt er niets. Max te laat? Plotseling staan de honderden aanwezigen als één man op, alsof de Koningin of de Dominee binnenkomt. Een stem schalt door de luidsprekers, op toon, in keurig ABN: ’De Directie en hun Dames’. De Directeur knikt ons minzaam toe. Dat is het sein. We mogen gaan zitten. Dus wij gaan zitten. Een retro-cultuurschok. Wat een contrast.

Bij ons in het jungle kamp golft iedereen, hoe meer zielen hoe meer vreugd. Hier op het eiland geldt ballotage. Toch worden we in de golfclub en op de course toegelaten. Naar mijn rang wordt niet gevraagd. Men vindt ons blijkbaar interessant omdat we uit Colombia komen. Hier geen groene sappige golfcourse langs de jungle, geen vrolijke apen die uit het bos komen om ballen te pikken. We golfen nu op een rotsige vlakte met hier en daar vreemde kortbladerige palmbomen met lange kale stammen. Gewend om ballen kwijt te raken in sloten, krijgen we nu te maken met een ‘local rule’ over ballen die onbereikbaar en onwrikbaar in de kruinen van die benedenwindse knotwilgen blijven steken. De ‘greens’ heten hier ‘brownies’. Ze bestaan uit oliehoudend zand, dat na elke passage aangeveegd wordt met een sleepnet, zoals op een gravel tennisbaan in Nederland. Dit werk wordt gedaan door zich onzichtbaar achter cactussen schuilhoudende mannen, “Portugezen” genaamd. Waarom weet ik niet maar ze zien er inderdaad enigszins Portugees uit. We bekijken de stad. Langs de kade zien we kleurige zuid-amerikaanse schepen met groente en fruit, die loodrecht op de wal gemeerd liggen, hun boegsprieten uitstekend over de kade. We neuzen rond in een juwelierszaak met een electrisch klokkenspel boven de deur. We dineren hoog boven de stad in een oud fort. Uitkijkend over het water zien we verlichte schepen, een verlichte raffinaderij en de lichtjes van de stad. Een paar dagen later zijn we weer terug in onze andere cultuur.

Ik ga met een Colombiaanse arbeider op jacht. Een splinternieuw jachtgeweer kost in het rivierstadje negentig nederlandse guldens. Ik schiet haast altijd mis maar de tochten door de jungle in het pikkedonker zijn altijd spannend. De eerste keer, op de terugweg bij daglicht, schrik ik. Ik steek stroompjes over, wankelend en armen zwaaiend, over dezelfde boomstammen die ik net gisterenavond in het donker in gezwinde pas heb overgestoken. Achter mijn voorganger met zijn zaklantaren. Zonder te weten hoe diep het onder me was. Die nachten en ochtenden in het bos zijn magisch. De geluiden van het oerwoud. We zitten goed verborgen aan de rand van het moeras. We wachten totdat het licht wordt en de eenden komen. De Pato Real. Op de terugweg door de jungle wordt hier en daar gestopt bij primitieve huisjes. Arme mensen zonder veel formele opleiding, die beeldend mooi hun taal spreken. Ons zonder te vragen een cafecito geven. Fijnbesnaarde filosofen. Zij onderwijzen mij over de zin van het leven. Bij hen voel ik me buitengewoon op mijn gemak. Geen cultuurschok.

Nigeria 1972 (1): no condition is permanent

April 1972. Lagos. De aankomst in de Afrikaanse hoofdstad is sensationeel. Ik word in een chaotisch aankomstgebouw behandeld en vrijgegeven en  van daaruit vervolgens begeleid naar  een Peugeot 404 station wagon. Dit werkpaard schijnt hier tot de standaarduitrusting te behoren. Mij wordt verteld dat buitenlanders die deze auto invoeren, speciaal het model met de duimdikke stalen bodemplaat (vanwege het alom aanwezige gevaar  op de weg van stenen en gaten), hun nieuwe auto hier onmiddellijk met grote winst kunnen verkopen. In deze auto, de ramen open, word ik naar een hotel in de stad gebracht. Alles is te zien, te horen en te snuiven. Wat ik links en rechts en voor me zie is verbijsterend. In volgorde van penetratiekracht: het oorverdovende lawaai, de helse geuren, de beelden.

Vooral de kleurige borden vallen me op. Ze sieren de gebouwen en de mammy wagons waarmee frontale botsingen slechts in de laatste seconden worden vermeden. Men heeft hier een grote passie: gevaarlijk inhalen. Sommige borden op vrachtwagens laten aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Horn b4 Overtaking’. Een vrachtwagen vol met mobiele toiletten schreeuwt ons toe: “Shit business is serious business”. Op de mammy wagons staan teksten van zeer practische en filosofische en religieuse aard zoals  ‘Time shall tell’, “No condition is permanent”,”No destination, why hurry’, ‘Safety is of the Lord’. “No standing” op een mammy wagon stampvol mensen.  Ik ervaar dit alles ademloos en sympathiseer met een enorm kleurig bord op een vehikel: ‘Oh, my mother’.

Rijen mannen in lange kaftans plassen zeer zichtbaar in de greppels.We staan om de haverklap stil. Verkeersopstopping. Ruzie tussen automobilisten. Krantenjongens en verkopers van contrabande sigaretten verdringen zich dan voor de open ramen van de auto om iets te verkopen of om de voorruit te mogen wassen. Pandemonium rondom.

 Ik word in het hotel afgeleverd. Een hotel gelegen met uitzicht op de haven. De airco blijkt niet te functioneren en dat kan je ruiken.

 De volgende dag vroeg word ik door een aanstaande Nederlandse collega afgehaald bij het hotel. Aangekomen in de buurt van het kantoor, zetten we zijn auto neer op een grote parkeerplaats langs de haven. We stappen uit en worden onmiddellijk omringd door een groot aantal jonge, lachende, gemutileerden. ‘Die passen collectief op mijn auto,’ zegt mijn collega, ‘maar ik hoef alleen De Chef een kleinigheid te betalen’. De Chef is een goedlachse jongen van nog geen twintig jaar, zonder benen, die zich handig en snel over het asfalt vol gaten voortbeweegt, zittend op een oud stuk multiplex op vier rolschaatswieltjes. Mijn collega blijkt met hen op zeer vertrouwelijke voet te staan. Hij kent ze allen bij naam, hij maakt grapjes die ik tamelijk cru vind maar die door hen juist buitengewoon gewaardeerd en met gelijke munt terugbetaald worden. Verbouwereerd volg ik mijn collega naar het kantoor. De cultuurschok duurt voort.

 

Nigeria 1972 (2): never electrical power again

Het Kantoor is gevestigd op een paar verdiepingen van een gebouw in de hoofdstraat. Op de begane grond is een bekende Amerikaanse bank gevestigd. Het gebouw heeft geen binnenplaats, zodat zich in het midden van de verdiepingen vele kantoren bevinden zonder enige natuurlijke verlichting. Ze zijn van elkaar gescheiden door softboard wanden die ruiken naar jarenlange invloed van sigarettenrook en vooral van het chronisch uitvallen van de airconditioning. Daardoor zijn die geurige zachtboard platen per stroomuitval afwisselend kletsnat en kurkdroog. Men tuurt in die spelonken op geologische kaarten bij het licht van TL buizen maar vaak ook van kaarsen. Want de stroom valt vele malen per dag uit, dag in, dag uit.

 Men is van plan een standby generator te kopen. Onze Nigeriaanse gastheren vermelden daarbij grijnzend dat wanneer die generator straks in bedrijf is, de electriciteitsvoorziening van staatswege voortaan “standby” genoemd zal worden. Die staatsmaatschappij heet NEPA, dat betekent Nigerian Electrical Power Authority. Maar zij leggen de afkorting anders uit: ‘Never Electrical Power Again’!

 De eerste de beste dag dat ik dit allemaal mag meemaken, roepen de collega’s die  het geluk hebben een werktafel aan de raamkant te hebben, de inwendigen om onmiddellijk te komen kijken. Naar een gebeurtenis die zich blijkbaar enige malen per week afspeelt. Iemand heeft in de bank een flinke hoeveelheid cash gehaald. De ongelukkige. Want zijn schuldeisers staan hem op te wachten  en bespringen hem tussen de kruipende en stilstaande auto’s. Tussen de eisers ook heftige ruzie. Verkeer moet stoppen. De bestuurders mengen zich in het gevecht. Politiemannen met knuppels erbij. Ook uit alle andere gebouwen  in de buurt hangt men uit de ramen, om zoals wij het gevecht luidkeels aan te moedigen.

Halverwege de ochtend ga ik voor de eerste keer naar de WC. Tegen de achterwand van dit overigens keurige toilet met bril en klep hangt een getypt papier: ‘no squatting’. We gaan lunchen in een  klein restaurantje in de buurt van het kantoor. Daar serveert men een ‘minute steak’, een taaie steak die echter zo dun is dat je er doorheen kan kijken, hetgeen het kauwen en slikken zeer vergemakkelijkt. Aan het eind van de dag zijn we weer terug bij onze beschermheren op de parkeerplaats, die ons met veel égards uitgeleide doen en zelfs het aanstormende verkeer voor ons tegenhouden. Zij geven all-in service. Aan het eind van mijn tweede dag begin ik al aardig te wennen.

Nigeria 1972 (3): no fussing about

Na een paar weken ga ik voor een maand naar een kamp in de Delta. Ik vlieg met de Norman Islander, een vliegtuigje met enorm brede vleugels. Het is ontwikkeld om in vliegende storm op de piepkleine rotseilandjes van de Shetlands te landen. Het heeft plaats voor maximaal zeven passagiers en wat vracht.

De piloot van vandaag staat bij zijn vaste passagiers bekend als “The Fiddler”. Gesteven wit overhemd, donkere epauletten met drie gouden banden, donkerblauwe korte broek met messcherpe vouwen en witte kniekousen. Hij heeft ooit als gezagvoerder op grote Boeings van British Airways gevlogen en vindt deze kist beneden zijn waardigheid. Hij doet dus alles precies volgens het boekje. Alvorens de machine te starten, draait hij zich in zijn stoel  om en kijkt zijn zeven passagiers onderzoekend aan – er is geen tussenwand – en zegt in bekakt Engels: ‘Good morning gentlemen, have you all flown this aircraft before?’ Ik houd mijn mond, want ik ben gewaarschuwd. Zou ik mijn vinger hebben opgestoken,  dan zou hij ons allen een kwartier bezig houden met alle mogelijke details waarvan we zenuwachtig zouden zijn worden.

Tijdens de vlucht is hij voortdurend bezig om een en ander fijn te regelen en te fiddelen, zodat iedereen bloedzenuwachtig wordt van het steeds veranderende geluid van de motoren, hoog, laag, hoog, laag. De zenuwen zijn in de machine goed te ruiken. Telkens wanneer we de kust passeren (twee keer,  want we vliegen langs een lange bocht in de kust), is er hevige remous. De piloot heeft het extra naar zijn zin terwijl we meters omhoog en omlaag dansen. Nu kan hij laten zien wat hij waard is.

Mijn buurman vertelt me dat de favoriete piloot van ieder een grijsharige Engelsman is, een soort lieve grootvader die tegen zijn pensioen aan zit. Hij draagt altijd een geblokt wollen vest met knoopjes over zijn witte overhemd, alsof hij op Zondag het gras gaat maaien in zijn tuin in Engeland. Geen spoor van  epauletten. Hij zegt niets, brengt het vliegtuig snel op kruishoogte, trekt het horizontaal, zet het op de automatische piloot, schenkt zich koffie in uit een thermosfles die hij op het dashboard plant en begint aan zijn  sandwiches. ‘Kijk’, zegt mijn buurman, ‘dat zijn de beste piloten, no fussing about.’

Dicht bij de grond draaien we rondjes om de grasbaan waarop we gaan landen. De strip wordt doorkruist door een autoweggetje en de slagbomen zijn nog niet dicht. De man die dat doen moet slaapt waarschijnlijk ergens onder een boom, want we zien een zwarte arm uit het raam van een schuurtje komen die  dwingend met een ijzeren staaf op een lege oliedrum slaat. Dat heeft succes,  want na het volgende rondje zet de Fiddler de machine aan de grond. Ik ben in de Delta.

Nigeria 1972 (4): Execution Day

Het verkeer verlamt Lagos. Er wordt van regeringswege besloten dat de even nummerplaten om de andere  dag de weg op mogen, de oneven nummers op de dagen ertussen. Dat werkt eventjes. Dan keert de oude toestand terug. Want iedereen heeft inmiddels een extra nummerplaat gekocht.

Men is hier dus vindingrijk en zeer effectief. Wanneer het Staatshoofd ergens langs moet, is de straat vol stilstaand verkeer door zijn motorrijders in een mum schoon geveegd. De auto’s die niet onmiddellijk het trottoir oprijden worden door motorrijders onbarmhartig met gummiknuppels van een serie gleuven in het dak voorzien. Dus maakt men dat men wegkomt, zonodig het hoge trottoir op. De kunst is om zich na het passeren van de zwaar bewapende stoet er meteen achter aan te sluiten, achter de laatste Land Rover met Engelse lijfwachten. Dan ben je in een half in plaats van in twee uur bij de airport.

Soms is er dagen lang geen benzine. Lange rijen bij de pompstations,waar  zelfs mensen met open emmers in de hand staan te wachten. Een keer stap ik in zo’n station mijn auto uit. Twee mannen hebben bij de pomp een dermate heftige ruzie dat ik denk dat er doden gaan vallen. Ik loop naar ze toe met het probate middel in dit land: lachen. De ruzie  is meteen over. “Niets aan de hand, aïbo“, zeggen ze met een brede lach. Aïbo betekent withuid. We hebben een leuk gesprek, over onze families.

‘Execution Day’. Op Zondag. Armed robbers worden geëxecuteerd op het strand van Victoria Island. De mensen komen er massaal op af, in hun Zondagse kledij, de kleine kinderen feestelijk aangekleed. Luide juichsalvo’s voor en na de geweersalvo’s. “Goed zo, je verdiende loon!” uit duizenden kelen. Sommige expats die hier al lang zijn, zijn dat blijkbaar normaal gaan vinden. Een Amerikaanse collega organiseert  op die dag een Execution Lunch voor zijn expat collega’s. Op zijn dakterras, waarvandaan je de vrolijke bevolking naar het strand kan zien lopen en de schoten kunt horen. Ik doe niet mee, dat moge duidelijk zijn. Wat een land van tegenstellingen