Op 20 october was de Regering en dus ook het Corps Diplomatique waaronder Terborgh weer terug in Madrid. Twee dagen later noteerde hij zijn indrukken van de terugreis uit Saint-Jean de Luz, in zijn Renault Cabriolet zes-cylinder PrimaStelle.

“Kastiliaans landschap

De torens van de kathedraal van Burgos verrezen een ogenblik in heldere hemel; een silhouet herinnerend aan Chartres. Dan staan er gebouwen langs de weg, rommelige voorsteden volgen en daarachter, naar het Zuiden toe, begint het werkelijke Kastilië.

De weg, acht meter breed, is door oude olmen gezoomd, ingevoerd uit Engeland door Philips II en sedertdien gewillig zich in het land verbreidend. Soms zijn zij smal als populieren, soms gesnoeid, breder zich vertakkend met dikke stam; het lover begint nu geel te worden, zonlicht speelt erop.

De weg slingert, zacht stijgend en dalend, over heuvels, langs heuvels, mijlenver te overzien, slechts zelden aan het oog ontrukt. Het is dezelfde waarover in de 16e eeuw  logge reiskoetsen kropen en muilezelkaravanen. Drie weken reisde men toen van de grens naar Madrid; nu negen uur.

De grondkleuren van het landschap zijn die van puimsteen en vers geschilde kurkeiken: dof grijs en roestbruin. Vaak vermengen zich de beide kleuren in talloze schakeringen tot de vaal-bruine kleur van klei; de kleur van de akkers langs de weg, van braakliggende streken, van de armelijke dorpen, hier en daar, uren gaans van elkaar verwijderd.

De lagere heuvels zijn veelal begroeid, dor gras, distels en struiken, stroken kaal zand ertussen, sterk lijkend op ons duinlandschap. een enkele steeneik; in een dal  wat wilgen en populieren. Maar soms gaan deze doffe kleuren, aan die van olijfbomen herinnerend, over in witte, haast onmerkbaar groen lichtende vlakken zand; metaalkleurig, de tinten van Velazquez. Verder naar het Zuiden worden de heuvels vaak rood, wijnrood, donker en lichter, onwerkelijke, dreigende kleuren.

Het landschap is leeg; eentonig. Maar een bijzondere omstandigheid verleent het voortdurend een boeiende, vaak beklemmende grootsheid: nooit ziet men de werkelijke einder.

Dicht langs de weg verrijzend of verder weg in eindeloze ketenen zich voortplantend, zo ver het oog maar reikt, zijn deze heuvels juist zo hoog dat men nooit over hen heen kan zien, nooit weet wat er achter ligt. Men is door een golvende muur omgeven, hemel en wolken erboven, maar wat erachter? Alles wat een ongebreidelde fantasie bedenkt, wat een eenzaam verlangen kan wensen.

De auto jaagt voort van keten tot keten, van dal tot dal. Verwacht men in elk dal zijn bestemming? Links in de verte staan grijze tafelbergen, plat en aan de kanten uitgewassen, op glad afgezaagde boomstronken gelijkend. Langs de weg trekken boeren op muilezels, op ezels of paarden, de vrouw dwars achter zich; een hond ernaast.

Eksters vliegen over de weg, kudden schapen trekken er soms over, angstige, schreeuwende herders. Soms staat een enkele boom op een heuvel, midden in de hemel, tegen de wegzinkende zon; maakt de verlatenheid nog groter. Soms zijn het scheve telegraafpalen, soms een langzaam rijdende boer, terugkerend naar een onzichtbaar dorp.

Op afstanden van uren gaans van elkaar verwijderd liggen deze dorpen, nauwelijks zichtbaar in glooiingen, in zich gekeerd, naar buiten haast blinde muren slechts tonend, bevreesd voor wolven in de winter? Voor koude? Voor trekkende zigeunertroepen?

Nergens een eenzame hoeve, in de schaduw van bomen, lokkend tot oponthoud. Niets dan in regelmatige tussenpozen witte huizen met rode daken langs de weg, met grote zwarte letters de afstanden op de muur geschilderd: naar Madrid, naar Burgos, naar Irun; wegwerkerswoningen.

Tegen zonsondergang naderen we hoge heuvels. Heuvels lijken het, in het onmetelijke landschap, maar het zijn bergen, een brede keten van oost naar west met 1800 meter hoge toppen. In een dun woud van kreupeleiken, het landschap vóór ons overziend, stoppen wij een wijle. De zon zinkt achter ons, zij schijnt reeds tussen de bomen. Op de weg in de verte achter ons zoemt een naderende auto. Drie kilometer ver of meer? Het duurt minuten eer hij razend voorbij suist, en de stilte weer groeit tot onmetelijkheid.

Men zou van hieruit alleen willen verder trekken, op een muildier langzaam naderend de harde blauwe wand, door de wijnrode vlakte beneden, op weg naar wie weet welk avontuur uit de indianenboeken uit onze jongensjaren.

Wij hebben dit landschap vroeger gedroomd, de donkere plooien in de berg, de bleke ster in de groenachtige hemel. De stijgende dampen en de kou en geen enkel licht. De opgedroogde rivierloop beneden en de onzekerheid van wat achter de groeiende blauwe muur voor ons ligt. En men zal waarschijnlijk ook naar Amerika moeten trekken om een landschap te vinden even groot en geweldig als deze vlakte voor de Guadarrama keten.”

(wordt vervolgd)

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •