Het ging in Tanger steeds minder goed met Slauerhoff’s moreel en gezondheid, na Terborgh’s bezoek in juni 1934. Op 20 oktober legde hij zijn dokterspraktijk stil  en ging op weg naar Nederland. Na wat per trein door het zuiden van Spanje langs Sevilla en Cordoba te hebben gereisd, arriveerde hij op zaterdag 27 oktober bij Terborgh in Madrid.

Hij bleef elf dagen logeren en toonde zich een niet al te makkelijke gast, alhoewel Terborgh hem overal enthousiast mee naar toe sleepte. Al de dag na aankomst ging men samen met de gezant Nepveu over slechte wegen naar Segovia en Sepulveda (door Slau steeds pesterig Soepelveda genoemd).

Slauerhoff sliep een groot deel van de tocht, waarbij men twee keer een lekke band had, “maar verklaarde later het landschap toch graag nog eens weer te willen zien.” Op maandag gingen de twee, samen met Terborgh’s twee beste diplomaten vrienden (Bull, Denemarken en Riba, Portugal) naar het circus. Dinsdag gaf de gezant een diner voor Slauerhoff, die echter niet op kwam dagen. Terborgh schrijft in zijn dagboek:

“Gedurende al deze dagen met hem vaak in de stad geweest. In café’s gezeten. Eens Frans Hellens ontmoet. Nog eens naar de bioscoop, ook een mislukte tocht naar het theater: Don Tenorio. Don Tenorio bleek ook in een ander theater gespeeld te worden en daar zat Slau. Een prachtige middag in het Pardo, we hebben over zijn kritische werkzaamheden gesproken. Een middag blijft hij thuis – heeft de hele dag aan twee gedichten gewurmd die niet willen lukken. Over allerlei literaire dingen en plannen gesproken.”

Soms  was er ruzie, want Slau was niet te genieten. Op 7 november vertrok Slauerhoff naar Parijs, waar hij op 11 november aankwam. Hij nam zijn intrek in een hotelletje maar bracht zijn vuile was bij zijn vriend de schrijver Eddy Du Perron die met zijn vrouw Bep aan de rue Erlanger in de voorstad Auteuil woonde.

De Du Perrons verkeerden in moeilijke omstandigheden en woonden in bij een Russische ex- senator Nossovitch, zijn vrouw en zijn mooie dochter Sofka. Slauerhoff reisde door naar Nederland, maar was op 20 januari 1935 alweer terug in Parijs, zoekend naar een vrouw en werk aan de wal want hij wilde stoppen als scheepsarts. Hij zag toen ook Du Perron’s Parijse vriend Pascal Pia, de latere vriend van Albert Camus. Pia zou Slauerhoff jaren later goed typeren: “een nogal… hoe moet ik het zeggen… nogal stuurloos persoon… die er niet goed toe kon komen geloof ik, om zich in te passen in de Hollandse samenleving, noch in een andere, en die altijd overhoop lag met de wereld waarin hij moest leven.”

Slauerhoff stelde Du Perron voor dat die naar Tanger moest gaan om zijn practijk te liquideren, maar Du Perron voelde zich niet goed en moest hard werken om in zijn onderhoud te voorzien. Hij nam Slauerhoff mee naar zijn stamcafé Le Mûrat in Auteuil waar hij haast elke ochtend een kop koffie dronk met Giacomo (“Gino”) Antonini, een Italiaans-Nederlandse literatuurcriticus en schrijver, die met zijn latere vrouw, de Russische Maria (“Moussia”) Sila-Nowicki vlakbij woonde in de rue Corot.

De aardige Antonini luisterde naar hun verhaal en bood aan om de klus in Tanger te gaan klaren. Slauerhoff stelde voor dat Antonini op doorreis bij Terborgh in Madrid zou aanleggen. Slauerhoff en de Antonini’s konden zo goed met elkaar overweg dat hij een tijdje bij hen mocht komen wonen in de rue Corot als hij wilde bijdragen in de kosten van het eten, want ook zij waren op dat moment in moeilijke omstandigheden. Slau toonde zich een prettige gast en zat geduldig en langdurig aan het bed van Natasha Borovsky, het tienjarige dochterje van Moussia, toen ze een kinderziekte had.

Op 11 maart arriveerde bij Terborgh een brief van Slau om Antonini aan te kondigen. Reeds de volgende dag kwam Gino in Madrid aan. Dit toevallige bezoek was het begin van een levenslange boezemvriendschap tussen de twee mannen, die ik enigszins heb kunnen volgen in de dagboeken van Terborgh.

Door allerlei gelukkige bijkomende  omstandigheden zoals mijn vriendschap met Natasha Borovsky en haar man Stuart Dodds heb ik me ook kunnen verdiepen in de passionerende levens van Gino Antonini en diens Russisch vrouw Moussia, die voortdurend dat van Terborgh zouden raken. Hun levens beschrijf ik parallel met deze geschiedenis van Terborgh, maar dan in mijn Franse en Engelse blogs, omdat het in die talen is, vooral in de Franse, dat ik veel persoonlijk bronnenmateriaal tot mijn beschikking heb.

Antonini bleef twee dagen en de mannen praatten tot diep in de nacht. Op 20 maart was hij al weer terug in Madrid en bleef toen negen dagen logeren. Terborgh nam hem mee naar  het Escorial waar in de buurt goed te wandelen viel, naar Toledo (zie foto, met Antonini) waar hij al vaak alleen of met zijn vrouw geweest was. Ze aten daar bij zijn vaste restaurant Vento de Aires zijn lievelingsmenu, gevulde patrijs, perdices estofadas.

Op 29 maart bracht hij Antonini naar Hendaye en zette hem op de trein naar Parijs. Op weg er naar toe zagen ze in de trein een mooie jonge vrouw, fantaseerden van alles om haar heen en besloten om ieder over haar een verhaal te schrijven. Dat is inderdaad gebeurd: Maria Concepción door Terborgh en Pilar door Antonini. Nadat Antonini vertrokken was, haalde Terborgh in Irún een nieuwe auto af, een zes-cylinder Renault Vivasport. Hij maakte er meteen op weg naar huis een ommetje mee, en was weer thuis in Madrid op 1 april.

“Soria, 30.-31.III.1935 Auto gehaald in Irun – mooie langzame tocht naar Soria – daar  zeer slecht gegeten.

Estella heeft merkwaardige gotische kerken en kleinere plaatsjes als Viana en Torres moeten wel een oponthoud waard zijn. Logroño ligt schilderachtig aan de Ebro. Maar nergens gebleven. Van Estella noordwaarts niets wat aantrekkelijk lijkt. Van Logroño naar Soria door een prachtig dal. Kalkformatie – zeer romantisch – over de pas 1700 m. in het donker naar beneden.

Onverwacht, achter een hoek, ligt de stad. De rossig zanderige kleur van een leeuwenvel heeft alles. Lage huizen met mooie stenen wapens boven de deuren. Arabische verandah’s. Wrange wijn – maiskoekjes en kweeperengelei. De uitlopers van de stad gaan tot aan de Duero – kleine huizen met rode daken tegen een heuvel – uit alle schoorstenen blauwe rook optrekkend als uit een  kolenmeiler. San Juan del Duero – prachtige zonnige ochtend met wilde viooltjes in de bouwvallige kloostergang. San Pedro – mooie Romaanse resten.”

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •