Na zijn terugkeer in Madrid op 15 juni 1935 ging Terborgh een week later alweer op tocht, deze keer met de gezant Nepveu en zijn dochter. De tocht ging naar Guadalupe in de Extremadura, met het grote klooster ter ere van de Zwarte Madonna.

Cees Nooteboom heeft in 1992 een dergelijk bezoek treffend beschreven  in zijn boek De omweg naar Santiago, inclusief een opvallend bezoek  aan de Zwarte Madonna die met een druk op de knop 180 graden gedraaid kan worden tussen de kerk en de camarín, een klein kamertje waar de Madonna kan worden verkleed. Terborgh zal de Madonna ook hebben gezien, maar hij heeft het in zijn dagboek over een openlucht slager:

‘s Avonds met donker worden aangekomen. Ongelofelijk veel water gedronken uit koele roodbruine aarden kruiken. Veel volk ‘s avonds in de eetkamer – niet overdreven slecht eten. De volgende ochtend zal een jonge priester zijn eerste mis celebreren. Veel familieleden zijn er voor overgekomen. Wandeling in het donker door het dorp – zeer schilderachtig. Met Nepveu in een kamer geslapen – laat ingeslapen en kort en slecht gerust. Wankele ijzeren bedden. geel geschilderd, met bolle, oneffen matrassen; eerder op met schapewol gevulde zakken lijkend. Naar een onweer zitten kijken dat niet loskwam.

Tegen vijf uur weer wakker, de zon schijnt in de kamer en vliegen sarren zonder onderbreking. In pijama op het balcon gezeten, wat fruit gegeten en uren lang naar beneden gekeken waar op het plein zondagsmarkt werd gehouden. Er is een slagersstalletje. Twee schragen en wat planken erover – een geraamte van dunne balken waarover een zeildoek tegen regen en zon kan worden gespannen – het zeildoek ontbreekt. Het geheel heeft de klassieke vorm van de marktstalletjes bij ons.

Aan een opstaande balk hangen twee schapebouten, een dichte zwerm vliegen eromheen – meer vlees is er niet. De slager snijdt repen uit de bouten en verdeelt die weer in duimbrede blokken. Een kleine handvol wordt in courantenpapier gewikkeld en verkocht voor drie of vier kopermunten – de duurste portie kan niet meer dan zeven cent kosten. Soms is een koper niet tevreden. De waar wordt weer uitgepakt en op de weegschaal geworpen – een volgende koper is er tevreden mee. Uren lang worden er repen uit de twee bouten gesneden, steeds dezelfde hoeveelheid – de voorraad lijkt onuitputtelijk – de zwerm vliegen is niet weg te slaan. Beeld van grenzeloze verveling. Obsessie der eeuwige herhaling.”

Op 29 juni reed hij met de Gezant naar hun jaarlijkse zomerverblijf in Saint-Jean de Luz, waar hij weer zijn intrek nam bij Simpson in  de dépendance van diens hotel Guernica. Het eerstvolgende weekend al maakte hij met de Gezant opnieuw een rondreis door de Vallée du Lot, die eerder al zo’n indruk op hem had gemaakt. Op een dag laat in Juli, vierde hij met een collega en een fles cider dat zijn eerste kind in Worb in Zwitserland werd geboren. De rest van de zomer verliep zoals gewoonlijk.

Op 5 september vertrok hij per trein naar Parijs, op weg naar Zwitserland om zich bij zijn vrouw en zijn eerstgeboren zoon te voegen omdat het kind gedoopt werd. Hij vond in Parijs  zijn Antonini en diens vrouw Moussia niet thuis, die bleken in Riga te zijn om echtscheidingszaken te regelen, vervolgens ging hij een aantal dagen naar Nederland naar het Departement van Buitenlandse Zaken en voor familiebezoek. Op 12 september was hij in Worb en zag voor het eerst zijn zoon, die op de  14e werd gedoopt. Op  17 september ging hij  terug naar Spanje, met vrouw en kind.

Bij terugkomst in Madrid hoorden ze dat hun vriend de kunsthandelaar Arthur Byne, die een paar jaar daarvoor het Spaanse klooster van 1175 Santa María de Óvila steen voor steen had laten afbreken en naar de krantenmagnaat Randolph Hearst in de Verenigde Staten had laten verschepen om daar weer te laten opbouwen, was omgekomen bij een auto-ongeluk waarbij hij doorboord werd door een grote houtsplinter. Terborgh schreef in zijn dagboek op 1 october 1935:

Byne is in een auto-ongeluk om het leven gekomen – en nu zal wel zijn huis worden verkocht en zijn prachtige meubelcollectie weer worden verstrooid. Hij begon lang vóór de oorlog met zijn vrouw per motorfiets Spanje door te rijden, oude architectuur te bestuderen, meubels en tapijten op te kopen.

Heeft heel Mallorca leeggekocht en kunstschatten per karrevracht naar Amerika verkocht. In zijn huis op de Ramon de la Cruz, nog geen twee jaren geleden gereed gekomen, heeft hij de vermoedelijk veelzijdigste collectie van Spaans meubilair der XV tot XVIIIe eeuw bijeengebracht. Een museum eerder dan een woonhuis. En niets zal er van blijven.

Een met smaak en kundigheid geschapen verzameling weer verstrooid – geen wet die de uitvoer van kunstwerken controleert, geen museum dat belang stelt in de ongetwijfeld belangrijke verzamelaars prestatie. Byne had veel op crediet verkocht en na de krach in Amerika had hij veel vorderingen maar geen geld. Hij ging in ‘34 naar de Verenigde Staten om te trachten iets te innen – maar niemand kon of wilde betalen.

Men was vriendelijk en nodigde hem uit – hij zat op stoelen die hij had geleverd, at aan de tafel die hij had uitgezocht, keek op de gobelin die evenmin als het andere was betaald. Men gaf in dit décor grote feesten, gaf hem een gouden sigarettenkoker cadeau, maar weigerde wat ook te voldoen en Byne trok met lege handen naar een andere schuldenaar.

(wordt vervolgd)

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •