Door Albert Waterhondt

“Nou, ik zei je al dat ik op weg ben naar Japan, ik heb een baantje gekregen bij La Maison Franco-Japonnaise in Tokyo”, zeg ik tegen Sarah, het meisje met de stekelharen en haar neus in de boeken.

“Daar heb ik over gelezen”, zegt ze, “Paul Claudel heeft dat helpen oprichten in de jaren 1920. Hij was daar toen Franse ambassadeur. Hij schreef ook literatuur. Leuk voor jou. Maar denk niet dat je van je moeder af komt door naar de andere kant van de wereld te vluchten. Het is effectiever om in je hoofd te gaan leven, zoals ik. Je moet gaan lezen. Toen ik van het eerste gesticht naar het tweede was gegaan, ging voor mij de wereld open. Die school had een grote bibliotheek, die steeds werd aangevuld met nieuwe boeken. Van mijn zesde tot mijn twintigste heb ik dag en nacht gelezen, het ene boek na het andere. Op mijn dertiende las ik al L’Étranger van Camus, dat boek vond ik toen vreselijk. Pas herlas ik het en nu vind ik het prachtig, omdat ik nu pas begrijp wat hij bedoelt. Eerst vreselijk, dan prachtig. Zo voed je jezelf op en week je je los van je verleden. Ik las zelfs in de klas, ik had altijd een boek in mijn lessenaar en las stiekem onder mijn schriften. Ik las ook altijd onder de dekens, met een zaklantaren. Maar vertel eens wat meer over je moeder, zo erg kan dat toch niet zijn geweest? Vertel op, wees vooral niet bang dat ik je vind zeuren.”

Ik vertel. Een paar uur lang. Zij luistert.

“Dit is inderdaad een ernstig geval”, zegt Sarah. Ik herken het. Hervé Bazin. Vipère au poing. La mort du petit cheval. Die twee boeken gaan over een jongen met net zo’n moeder. Zijn broer en hij noemden haar Folcoche. Dat is niet zo mooi uit de mond van zoons, folle cochonne. Die moeder had het er dan ook naar gemaakt, ze was nog erger dan die van jou. Die jongen vluchtte ook uit huis toen hij student was. Hij trouwde met een lieve modinette, ze kregen een baby toen hij nog studeerde. Toen werd zijn moeder nieuwsgierig en kwam kijken. Ze keek rond in hun schamele kamer, ze keek naar het naaistertje en hun baby, ze keek haar zoon strak in de ogen met een beladen blik en zei: “La mort du petit cheval”. Toen ging ze weg en sloeg de deur achter zich dicht. Dus wees nu maar niet zo verdrietig, je bent niet de enige. Ik heb La mort du petit cheval  hier, een opdracht exemplaar op mooi papier, in de originele editie. Kijk maar. Hervé Bazin heeft iets eigenhandig onder de titel geschreven, in groene inkt.”

Ik lees: “ou la résurrection du cavalier”. Ik voel me plotseling op mijn gemak. Vertrouwd. Ik zeg: “Hoe is het mogelijk. Jij bent de eerste die mijn probleem niet raar vindt. Zo iemand ben ik nog niet tegengekomen. Zo heb ik me altijd een zus voorgesteld. Mijn leven lang ben ik ‘s ochtends beklemd zusterloos wakker geworden, zie je. Hoe oud ben jij eigenlijk?”

“Ik ben eenentwintig.”
“Ik ook”, op welke datum ben jij geboren?’

Het blijkt mijn geboortedag te zijn.

“Ook toevallig”, zeg ik.
“Niets is toeval”, zegt Sarah, “iets valt je toe, zoals een dobbelsteen, dat noemen wij hier Le Beau Hasard. Als het mooi is, dat wel.”

(wordt vervolgd)

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •