April 1972. Lagos. De aankomst in de Afrikaanse hoofdstad is sensationeel. Ik word in een chaotisch aankomstgebouw behandeld en vrijgegeven en  van daaruit vervolgens begeleid naar  een Peugeot 404 station wagon. Dit werkpaard schijnt hier tot de standaarduitrusting te behoren. Mij wordt verteld dat buitenlanders die deze auto invoeren, speciaal het model met de duimdikke stalen bodemplaat (vanwege het alom aanwezige gevaar  op de weg van stenen en gaten), hun nieuwe auto hier onmiddellijk met grote winst kunnen verkopen. In deze auto, de ramen open, word ik naar een hotel in de stad gebracht. Alles is te zien, te horen en te snuiven. Wat ik links en rechts en voor me zie is verbijsterend. In volgorde van penetratiekracht: het oorverdovende lawaai, de helse geuren, de beelden.

Vooral de kleurige borden vallen me op. Ze sieren de gebouwen en de mammy wagons waarmee frontale botsingen slechts in de laatste seconden worden vermeden. Men heeft hier een grote passie: gevaarlijk inhalen. Sommige borden op vrachtwagens laten aan duidelijkheid niets te wensen over: ‘Horn b4 Overtaking’. Een vrachtwagen vol met mobiele toiletten schreeuwt ons toe: “Shit business is serious business”. Op de mammy wagons staan teksten van zeer practische en filosofische en religieuse aard zoals  ‘Time shall tell’, “No condition is permanent”,”No destination, why hurry’, ‘Safety is of the Lord’. “No standing” op een mammy wagon stampvol mensen.  Ik ervaar dit alles ademloos en sympathiseer met een enorm kleurig bord op een vehikel: ‘Oh, my mother’.

Rijen mannen in lange kaftans plassen zeer zichtbaar in de greppels.We staan om de haverklap stil. Verkeersopstopping. Ruzie tussen automobilisten. Krantenjongens en verkopers van contrabande sigaretten verdringen zich dan voor de open ramen van de auto om iets te verkopen of om de voorruit te mogen wassen. Pandemonium rondom.

 Ik word in het hotel afgeleverd. Een hotel gelegen met uitzicht op de haven. De airco blijkt niet te functioneren en dat kan je ruiken.

 De volgende dag vroeg word ik door een aanstaande Nederlandse collega afgehaald bij het hotel. Aangekomen in de buurt van het kantoor, zetten we zijn auto neer op een grote parkeerplaats langs de haven. We stappen uit en worden onmiddellijk omringd door een groot aantal jonge, lachende, gemutileerden. ‘Die passen collectief op mijn auto,’ zegt mijn collega, ‘maar ik hoef alleen De Chef een kleinigheid te betalen’. De Chef is een goedlachse jongen van nog geen twintig jaar, zonder benen, die zich handig en snel over het asfalt vol gaten voortbeweegt, zittend op een oud stuk multiplex op vier rolschaatswieltjes. Mijn collega blijkt met hen op zeer vertrouwelijke voet te staan. Hij kent ze allen bij naam, hij maakt grapjes die ik tamelijk cru vind maar die door hen juist buitengewoon gewaardeerd en met gelijke munt terugbetaald worden. Verbouwereerd volg ik mijn collega naar het kantoor. De cultuurschok duurt voort.

 

Print Friendly, PDF & Email
Deel dit artikel
  •  
  •  
  •  
  •  
  •